Bouwen aan nieuwe coalities voor een duurzame industrie

Nieuwsbericht |
TKI Energie en Industrie
TKI Nieuw Gas
TKI Wind op Zee
|
Afl systeemintegratie

Een duurzame industrie in Nederland kan niet bestaan zonder groene elektriciteit, duurzame gassen of circulaire grondstoffen. Dat lijkt een open deur. Maar in de praktijk is het razend ingewikkeld om die gebieden samen te brengen. Op 1 april gaat de derde editie van de MOOI-subsidieregeling in, met precies dát doel: bundelen van de innovatiekracht. TKI-directeuren Rob Kreiter (Energie & Industrie), Jörg Gigler (Nieuw Gas) en Bob Meijer (Wind op Zee) aan het woord over Innovatie - next level: de integrale aanpak.

Onder de vlag van de Topsector Energie hebben de drie Topconsortia voor Kennis en Innovatie de afgelopen tien jaar hun sporen verdiend. Talloze innovaties staan klaar voor toepassing, vele hebben de markt al bereikt. Maar het is niet voldoende. De transitie in energie en grondstoffen gaat niet snel genoeg om in 2050 klimaatneutraal te kunnen zijn. Hoe kan innovatie die snelheid opvoeren?

 "De industrie is al een tijdje niet meer alleen die afnemer aan het eind van de gas- of stroomleidingen" - Rob Kreiter 

Unaniem is het uitgangspunt: de verduurzaming van de industrie kan je niet aan de industrie alleen overlaten. Luister naar Rob Kreiter: “De twee grootste uitdagingen voor de industrie zijn: elektrificeren van de processen en circulair produceren. Dat kán niet zonder integrale innovatieketens en nieuwe interacties. De industrie is al een tijdje niet meer alleen die afnemer aan het eind van de gas- of stroomleidingen. De industrie gaat groene stroom en duurzame gassen mee-ontwikkelen, en bereidt zich al voor op het terugnemen van de materialen en producten die het zelf produceert.

Vervlechting

Voor elektriciteit heeft de industrie offshore windenergie nodig, voor de circulaire economie duurzame gassen zoals waterstof. Andersom kunnen de ontwikkelingen rond offshore wind en de koppeling met waterstof ook niet zonder de input van de industrie. Liever dan over onderlinge afhankelijkheid, praten de TKI-directeuren over ‘integreren van systemen’. Bob Meijer: “Kijk bijvoorbeeld naar de financiering van nieuwe windparken op zee. Die zet een projectontwikkelaar neer voor 25 of 30 jaar, dus zo lang wil die zekerheid om de investering terug te verdienen. De elektriciteitsprijs is daarvoor onzeker. De industrie kan een belangrijke rol spelen in de financiering. Want naast mobiliteit en gebouwen is de industrie een heel grote afnemer.”

Er zijn nog andere redenen voor een innige vervlechting, vervolgt Meijer: “Om een groot flexibel aanbod van windenergie aan te kunnen heb je ook innovatie nodig aan de verbruikskant. Denk aan variabele afname van elektriciteit, afhankelijk van het aanbod. Denk ook aan opslag om vraag en aanbod samen te brengen. Daarvoor moet een nieuw marktsysteem komen waarmee bedrijven uit de voeten kunnen.”

"Maar zonder multidimensionale samenwerking loopt het vast" - Jörg Gigler 

 

Jörg Gigler vult aan: “In ons energie- en grondstoffensysteem kunnen we niet zonder elkaar. Onze belangrijkste klus als Topsector is het faciliteren van het marktrijp maken van innovaties; technologisch, maar ook qua veiligheid, geaccepteerd, met voldoende kennis en mankracht ofwel ‘human capital’, met behulp van digitalisering en robotisering, zonder andere nadelen voor het milieu. Daarbij gaat het dus eigenlijk om het sluiten van de ketens tussen al die onderwerpen. Binnen die ketens beschouw ik onze TKI als facilitator voor de duurzame gassen, zoals groen gas en groene waterstof. Maar zonder multidimensionale samenwerking loopt het vast.”

 

Eerste stappen

"De eerste edities van MOOI vormen de eerste stap van integratie van ketens, dat moeten we vieren" - Bob Meijer

 

Samenwerking tussen de sectoren is natuurlijk niet nieuw. Brede consortia zijn al een vereiste sinds de start van de MOOI-regeling in 2020, waarin verduurzaming van industrie en de elektriciteitsproductie twee belangrijke onderwerpen zijn. In zulke consortia moeten ten minste een paar onderdelen van de keten zitten, naar gelang van het project te kiezen uit multidisciplinair onderzoek, kennisinstellingen, bedrijven, netbeheerders, eindgebruikers, juristen, sociaaleconomische experts, en zo voort. Rob Kreiter: “De MOOI-regeling werd in 2020 ingesteld op een moment dat we er juist aan toe waren: een nieuwe filosofie, gedreven door missies in de energie- en grondstoffentransitie zoals de verduurzaming van de industrie.”

Bob Meijer: “De eerste edities van MOOI vormen de eerste stap van integratie van ketens, dat moeten we vieren.” Maar de ketenvorming strekt verder dan subsidieregelingen. “Wind meets Industry (de samenwerking tussen windindustrie en procesindustrie, RdV) is een goed voorbeeld van een beweging waarin de partijen zelf nadenken over de kansen, over wegwerken van knelpunten en over mee-ontwikkelen in ketens. Daarbij komen ook nieuwe doelgroepen voor innovaties in beeld.” Gigler: ”Wind meets Industry is eigenlijk een bekrachtiging van onze duurzame relatie.”

Hoogtepunten

De drie directeuren noemen desgevraagd elk een ‘bloempje’ uit eerdere MOOI-calls. Meijer: “In de MOOI-Sigohe regeling (Systeemoplossingen voor grootschalige opwekking hernieuwbare elektriciteit) zitten veel verschillende schakels die nodig zijn voor systeemintegratie: transport en distributie, opslag en conversie, en gebruik. Daarin zitten voor ons nieuwe partijen, en er groeien steeds schakels aan. Kostenreductie is voor wind op zee lang leidend geweest. Maar het gaat hier ook steeds meer over flexibiliteit, veiligheid, ruimtelijke inpasbaarheid, impact op de omgeving en andere facetten.”

Rob Kreiter noemt het INReP-project voor plasticrecycling in een circulaire economie: “In INReP zitten partijen uit de afvalsector, de chemie, conversieprocessen zoals pyrolyse, verpakkers, producenten, enzovoort. Soms denken partijen wel eens dat een integrale aanpak van innovatie gelijkstaat aan complexiteit. Dit is een heel groot consortium, integraal, en tegelijk met een duidelijke focus en resultaatgerichtheid. Het kan dus prima samengaan”

Jörg Gigler wijst op het Hyscaling-project, waarin vele partijen een keten vormen voor de opschaling van elektrolyse voor productie van groene waterstof. “Er zitten partijen in als VDL, TU/e, Hanzehogeschool Groningen, producenten. Resultaten moeten we natuurlijk nog afwachten, maar een project als dit geeft mij het vertrouwen dat we dit in Nederland kunnen.”

Leren integreren

De eerste stappen zijn gezet, en hoe nu verder? Rob Kreiter: “We zijn het integreren nog aan het leren. Binnen MOOI was soms ook best sprake van spraakverwarring, bijvoorbeeld tussen de indieners van integrale ketenprojecten en de beoordelingscommissie. In de volgende ronde zullen we nog beter begrijpen waar de ‘sweet spot’ zit. Wat ikzelf essentieel vind: in plaats van steeds te bedenken wat er zo goed is aan de innovatie zelf, leren we steeds beter de vraag te stellen: Wat is er nog nodig om innovaties toegepast te krijgen?

Wat is er dus nog nodig om de industrie te verduurzamen? Bob Meijer geeft antwoord vanuit zijn achtergrond: “Na alle kostenreductie zit er nu geen subsidie meer op windparken. Dan ben je misschien geneigd te denken dat de grootste innovaties al gedaan zijn, dat we het steile stuk van de S-curve al gehad hebben. Maar betrek je de chemie erbij, zoals de conversie van elektriciteit naar ammoniak of de productie van synthetische brandstoffen, dan zullen de kosten nog veel meer omlaag moeten. Willen we niet alleen afhankelijk zijn van import, dan zitten we eigenlijk nog maar halverwege de S-curve.”

Voedingsbodem

De TKI-directeuren vinden unaniem dat de Nederlandse industrie een goede voedingsbodem is voor verdere verduurzaming. Jörg Gigler: “Sommige partijen willen graag, anderen weten dat ze moeten. Maar de uitdaging is gigantisch, dus al die nieuwsgierigheid van nu moet omgezet worden in daden. Ik denk dat de techniek vaak wel al aanwezig is, zoals een waterstofbrander. Maar hoe ga je het toepassen?: veilig, met voldoende gekwalificeerd personeel en goed beleid. Dat is er allemaal nog niet. MOOI is prima, maar op zijn best alleen nog geschikt voor het realiseren van een eerste pilotproject. In het ideale geval sluiten afgeronde MOOI-projecten straks aan op de subsidieregeling DEI+ om de innovatie te demonstreren, en vervolgens de SDE++ voor de eerste markttoepassingen.”

Ook Rob Kreiter ziet in de praktijk nog grote knelpunten. “Kijk naar de flexibilisering van de stroomvraag. Daarvoor is nu nog geen verdienmodel: een ander afrekenmodel plus nettarieven om je investering terug te verdienen. Er is dus beleids- en marktinnovatie nodig. Ook is de prijsprikkel van emissiehandel nog altijd te laag om het tempo erin te houden. Zo blijft duurzame productie duurder dan de conventionele methode. Om dat gat te overbruggen zullen we ten minste tijdelijke subsidies nodig hebben. Wet- en regelgeving en normen moeten meegroeien. En we zullen ruimte nodig hebben. Innovaties zoals elektrolysers voor de productie van groene waterstof zullen ook zichtbaar zijn in het landschap.”

Ook wijst Kreiter op de grote verschillen tussen de types industrie: “De grote bedrijven hebben hun eigen onderzoeksafdeling. Maar de papierfabriek of de levensmiddelenproducent kan het zelf niet ontwikkelen. Zij zijn aangewezen op samenwerking, bijvoorbeeld in het ‘Zesde industriecluster’ (de term voor de verzamelde kleinere bedrijven buiten de grote industrieterreinen zoals Maasvlakte of Chemelot, RdV).”

Toch staat het licht op groen. Kreiter: “We zitten echt in een andere fase dan vijf jaar geleden, toen we nog vooral inzetten op energiebesparing. Bedrijven zetten al de volgende stappen en komen zelf naar ons toe. Sommige gaan al harder dan ik kon vermoeden. Zie Tata Steel met hun waterstofplannen, zie Shell en Dow onderweg naar toepassing van elektrische krakers rond 2035, en zie het grote aantal warmtepompprojecten in de voedings- en papierindustrie. Wij faciliteren die bedrijven, met onze coalities, learning community’s, en met het vertalen van innovaties naar opleidingen. Vanaf hier kan de ontwikkeling wel eens heel hard gaan. En dan nóg is het de vraag of we voldoende kunnen innoveren om alle industrie in Nederland te behouden. Maar we misschien moeten wel mikken op alleen die processen activiteiten met hoge toegevoegde waarde.”